Artsen plaatsen daarbij bot met levend kraakbeen van een overleden donor in de beschadigde knie
Het UMC Utrecht heeft als eerste in Nederland een patiënt behandeld met een bot-kraakbeentransplantatie. Artsen plaatsen daarbij bot met levend kraakbeen van een overleden donor in de beschadigde knie. De behandeling is vooral bedoeld voor patiënten onder de vijftig jaar bij wie andere behandelingen onvoldoende helpen.
Kraakbeenschade in de knie kan lopen, werken en sporten pijnlijk maken. Vooral voor patiënten tussen de 18 en 50 jaar is een goede behandeling lastig. Een knieprothese geeft op deze leeftijd vaak niet het gewenste resultaat. Daarnaast vergroot onbehandelde schade het risico op artrose.
Orthopedisch chirurgen in het UMC Utrecht proberen daarom het eigen kniegewricht zo lang mogelijk te behouden, bijvoorbeeld met behulp van celtherapie. Maar als het bot onder het kraakbeen ernstig beschadigd is, bieden ook deze behandelingen niet altijd voldoende uitkomst.
Een nieuwe behandeling voor de knie
Voor deze groep is er nu een nieuwe behandelmogelijkheid in Nederland: de bot-kraakbeentransplantatie. De orthopedisch chirurg verwijdert hierbij het beschadigde bot en kraakbeen uit de knie en vervangt dit door passend donorbot met gezond, levend kraakbeen van een overleden donor.
“Voor jonge patiënten met ernstige schade aan het kraakbeen én het bot hebben we nu weinig goede behandelopties”, zegt orthopedisch chirurg Roel Custers. “Zij kunnen jarenlang klachten houden en uiteindelijk al op jonge leeftijd een knieprothese nodig hebben. Met deze behandeling hebben we nu een nieuwe mogelijkheid om hun eigen knie langer te behouden, zodat ze weer meer kunnen bewegen, werken en sporten.”
In tegenstelling tot veel andere transplantaties hoeven patiënten geen medicijnen te gebruiken die het afweersysteem onderdrukken. “De kraakbeencellen zitten als het ware opgesloten”, vertelt Jasmijn Korpershoek, universitair docent bij het UMC Utrecht. “Daarnaast spoelen we het donorbot goed uit. Daardoor is de kans op een afweerreactie klein en zijn deze medicijnen niet nodig.”
Snel van donor naar operatiekamer
Jasmijn leerde de behandeling kennen tijdens haar onderzoek in de Verenigde Staten, waar chirurgen deze al tientallen jaren uitvoeren. Daar werkte ze samen met Daniel Saris, orthopedisch chirurg bij de Mayo Clinic en hoogleraar bij het UMC Utrecht. Ze zag toen van dichtbij wat de behandeling voor patiënten kan betekenen.
Om de behandeling in Nederland mogelijk te maken, waren eerst veel voorbereidingen nodig. “Levende kraakbeencellen zijn essentieel voor deze behandeling”, zegt Jasmijn. “Daarom moeten we relatief snel opereren zodra geschikt donorweefsel beschikbaar is.”
Terug in Nederland zette Jasmijn samen met Roel en PhD-student Fianne Lissendorp daarom een keten op om donorweefsel te selecteren, te bewaren en op tijd naar de operatiekamer te krijgen. Het UMC Utrecht werkt daarbij samen met een Spaanse en een Nederlandse weefselbank (ETB-BISLIFE). Uiteindelijk willen de betrokken partijen de hele keten in Nederland opbouwen.
Meer donorweefsel beschikbaar maken
Om meer operaties mogelijk te maken, onderzoeken Jasmijn en Roel samen met hun collega’s hoe ze donorweefsel langer kunnen bewaren en meer weefsel beschikbaar kunnen maken. “Vooral voor jonge patiënten is er geschikt donorweefsel beperkt beschikbaar”, zegt Jasmijn. “Er zijn weinig jonge overleden donoren en het weefsel moet qua vorm en grootte goed passen. Daarom onderzoeken we of we ook gezond weefsel kunnen gebruiken dat overblijft bij het plaatsen van een knieprothese.”
Onderzoek en patiëntenzorg verbinden
De start van de behandeling biedt onderzoekers ook de kans om deze verder te verbeteren. Zo bestuderen onderzoekers in het bloed hoe het afweersysteem op het donorweefsel reageert. “Drie op de vier patiënten zijn na tien jaar nog tevreden met de operatie, maar niet iedereen”, zegt Jasmijn. “We willen daarom beter begrijpen welke factoren bijdragen aan een goed resultaat en waarom dat bij sommige patiënten anders is.”
“Het mooie is dat patiëntenzorg en onderzoek hier direct samenkomen. We kunnen patiënten nu een nieuwe behandeling bieden. Wat we daarvan leren, helpt ons om de behandeling voor toekomstige patiënten nog verder te verbeteren.”
Het onderzoek is een samenwerking tussen het UMC Utrecht, ETB-BISLIFE, ReumaNederland, Health~Holland, PIRCH AG en Operatie & Zorg. Vanuit het UMC Utrecht zijn Jasmijn Korpershoek, Roel Custers, Daniel Saris, Fianne Lissendorp en Eric Spierings betrokken. ReumaNederland en Health~Holland financieren het onderzoek.
Bron: UMC Utrecht
/a_650_1282.jpg)
/f_650_0018.jpg)
/e_650_0152.jpg)
/H325_INH_19060_167772.jpg)
/H325_ing_19061_06459.jpg)
/a_650_0154.jpg)
/a_650_0284.jpg)
/H325_ING_33594_340193.jpg)
/a_650_0287.jpg)
