Praten over overlijden krijgt binnen zorgorganisaties meer aandacht dan twintig jaar geleden. Toch blijft het voor veel medewerkers lastig om het onderwerp zelf aan te kaarten.

Angst om hoop weg te nemen, tijdsdruk en onzekerheid over de juiste woorden spelen daarbij een rol. Ook Cuperus Gedenken ziet dat er tegenwoordig meer ruimte is voor persoonlijke verhalen en wensen rondom afscheid en herinnering. Die ontwikkeling begint vaak al tijdens de laatste levensfase.

Twintig jaar geleden stond palliatieve zorg nog in de pioniersfase

Rond 2005 was palliatieve zorg in Nederland volop in ontwikkeling. Uit een monitor van het Nivel blijkt dat het aantal hospices, bijna-thuishuizen en palliatieve units toen snel groeide. Er ontstonden ook steeds meer regionale consultatieteams waarop zorgverleners een beroep konden doen. Tegelijk was de beschikbare kennis nog niet overal structureel in de zorg ingebed. Gesprekken over sterven begonnen vaak pas wanneer behandelen nauwelijks meer mogelijk was. De aandacht ging in veel organisaties vooral uit naar lichamelijke klachten en medische beslissingen. Psychische, sociale en levensbeschouwelijke vragen kregen minder vanzelfsprekend een plaats in het zorgplan.

Overlijden is onderdeel geworden van goede zorg

Sindsdien is palliatieve zorg verder geprofessionaliseerd. In 2017 verscheen het landelijke Kwaliteitskader palliatieve zorg, dat in 2026 werd geactualiseerd. Dit kader beschrijft dat goede zorg aandacht heeft voor vier dimensies: lichamelijk, psychisch, sociaal en zingeving. Proactieve zorgplanning en samen beslissen hebben daarin een vaste plaats gekregen. Een gesprek over het levenseinde hoeft daardoor niet te wachten tot de stervensfase. Zorgverleners kunnen eerder vragen wat iemand belangrijk vindt, welke behandelingen nog passend voelen en wie bij toekomstige beslissingen betrokken moet worden. Dat geeft patiënten en naasten tijd om na te denken en voorkomt dat belangrijke keuzes tijdens een crisissituatie moeten worden gemaakt.

Het ongemak is nog niet verdwenen

Meer richtlijnen en scholing betekenen niet dat het taboe volledig weg is. Een peiling uit 2026 onder 847 professionals laat zien dat 86 procent vindt dat het besef van de eindigheid van het leven sterker in de samenleving moet doordringen. Slechts 61 procent voelt zich bekwaam in proactieve zorgplanning. Daarnaast denkt bijna een kwart dat gezonde mensen niet met hun zorgverlener over de dood willen praten.

Ook patiënten wachten vaak tot een zorgverlener het initiatief neemt. Zorgmedewerkers kunnen op hun beurt bang zijn dat een gesprek over overlijden als opgeven wordt ervaren. Zo wachten beide partijen op elkaar. Kennisorganisatie Agora werkt daarom samen met Vilans aan het vroegtijdig voeren van het ‘goede gesprek’. Daarbij gaat het niet alleen over medische behandelgrenzen, maar ook over relaties, zingeving en kwaliteit van leven.

Praten over wat er na het overlijden gebeurt

Een open gesprek kan eveneens ruimte bieden voor wensen rond het afscheid. Denk aan rituelen, begraven of cremeren, muziek en de manier waarop iemand herinnerd wil worden. Ook een voorkeur voor bepaalde grafstenen kan iets vertellen over iemands waarden, achtergrond of persoonlijkheid. Cuperus laat bij gedenktekens zien hoe een handschrift, afbeelding, symbool of verwijzing naar een hobby een persoonlijk verhaal kan vasthouden. Voor zorgmedewerkers is het niet nodig om zulke keuzes inhoudelijk te begeleiden. Een eenvoudige vraag als “Heeft u al nagedacht over wat er na uw overlijden belangrijk voor u is?” kan voldoende zijn om een gesprek tussen de patiënt en naasten op gang te brengen.